herfstgoud van de grachten, alsof de stad een lichte vrouw was, weelderig, die zich opmaakte voor den avond..״ Boven het rumoer uit, geweldig, kamp-te het licht met het duister, wolken dre-ven, ontzaglijk; torens, fijn, zwartten uit tegen het zinkende goud of droom-den weg, verloren in de duisternis.... En de trams gonsden aan over de bruggen, de auto's toeterden en kruisten en scho-ten door elkaar, de fietsen tjengelden en gleden, flarden carillongeluid, afge-broken, slierden door de lucht״״
En het kleine autotje ging, het was een stukje licht, een brokje beweeg, en in zijn binnenste was zulk een vrede en vreugde, zulk een blijheid, zulk een.... ״simche”, (wat mèèr is dan vreugde, vrede, vroolijkheid, geluk, wat niet te vertalen is, omdat ’t ook dat feestelijk-heilige, zalig-innige in zich bevat, dat vlak bij God voert....) dat het hun leek, den inzittenden, alsof zij het midden
99