ding, en die den blik hunner oogen, de valling van hun stem, de hun alleen ei-gen plooi van denken en het gebaar van hun hand zouden voortdragen in het komende geslacht....
Zoo was de familie dan wel heel groot, zij strekte zich uit, niet alleen in de ruimte, maar ook in den tijd, eindeloos-heden reikten in haar elkander de hand, het was de eeuwigheid die zich samen-drong in dat ééne knooppunt, op die eene plaats, in dat eene, werkelijke, in-tens doorleefde moment....
....En de tijd ging voort, wat in de ruim-te was trók weer, de knoop, langzaam, ging zich ontwarren.... In den grauwen, aanschemerenden namiddag, die druil-de door de zaal, — maar daarbuiten was nog het daverende licht! — terwijl de piano bonkerig, automatisch voort-ronsde, de voeten nog schuifelden, maar de stemmen al zachter, gedemp
95