En ook daar, ook in hem, leefde dat too-neeltje op, hetzelfde, die kamer.... Ook hij zag zich, zag zijn jeugd.... Hij zag zichzelf, geloovend nog in zichzelf, fas-cineerend, dat gezichtje daar tegenover hem boeiend, hij voelde de sfeer, de tin-telende sfeer om zich heen.... Ah, je jeugd, je gouden tijd, waarin je je met je nieuwe, jonge kennis, je pas-verwor-ven woorden, je ideeën, je eigen fris-sche persoonlijkheid optooit als met veeren en bonte steenen, om te behagen en jezelf en anderen te verrukken....! Hij had gedacht toen.... even.... Ja, hij wist wel dat hij gefaald had, hopeloos. Maar toch.... En toen ineens, onver-wacht, dat bericht van die verloving, dat je als een slag in je gezicht kreeg. Wel, het was goed, natuurlijk, ze moest niet denken.... het deed hem niet zóóveel! Je zou het niet eens voor jezelf willen be-kennen, laat staan.... En bovendien: wat zijn vrouwen.... Die zijn immers niet van
83