dom van hun frissche, jonge, zuivere, sterke barbarisme aan het geheel toe־׳ brachten.... Zij waren Ruth, die Naomi met overtuiging, met toewijding volgde, en de stam was Boaz, die zich met liefde tot Ruth overboog....
Zij hadden al lang begrepen dat hun na-ieve voorstelling, die van den jood een soort van kruising maakte tusschen een sinaasappelenverkooper en een oud-tes-tamentischen, van wraakgedachten, ׳— oog-om-oog, tand-om-tand! ׳— vervul-den, tentbewonenden, baardigen pa-triarch, op geen werkelijkheid berustte. Neen, tot hun verbazing hadden zij be-merkt, — door hun ontmoeting met een enkele hunner, in aanraking gekomen met de heele, uitgebreide familie, —׳ dat het menschen waren zooals zij, van de-zelfde dingen vervuld, in denzelfden tredmolen loopend, dezelfde mengeling van goed en kwaad vertoonend, meteen-zelfde levenspeil, dezelfde gewoonten
39