Natuurlijk waren die groote zakenman en zijn vrouw, — die als familiehoof-den fungeerden, —׳ er nog niet toen de stroom der feestgangers, — Amster-dammers en vreemden, —׳ begon binnen te druppelen. Natuurlijk waren zij er niet, iedereen begreep waarom. Waren zij niet als zoon en dochter voor de twee ouwetjes geweest? Reken maar dat zij ze op t oogenblik haalden!
Maar de feestgenooten kwamen, bij bosjes of als eenlingen, binnen, en net״ jes, hoor: ze werden in de vestiaire ont-vangen, zooals t hoorde, door vestiaire-juffrouwen, en kregen een nummer alsof t op een officieele gelegenheid was. Iedereen prees denmaatregel: heel goed, waarom niet? Kunnen er nooit vergis׳ singen komen! Al bèn je nou familie.... En inmiddels vlogen zij al van de ves-tiaire-bedoeningen — hè, wat 'n last! ׳— vandaan, en hadden er omhelzingen, be-groetingen, herkenningen plaats....
26