Das Herz ist satt, die Welt ist leer, Zu suchen haben wir nichts mehr.
Novalis.
Gelukkig was Emile Moser niet* Er was niets wat hij bovenmate beminde* Ach, hij hield natuurlijk wel van de literatuur, maar die grote hartstocht werd gaandeweg minder. Hij mocht zijn vader tegenwoordig wel en op zijn zusje was hij zelfs heel erg gesteld, maar zulke dingen spreken immers vanzelf, tenminste voor Moser, die zelden meer verbaasd was dan als hij kwam te vernemen, dat ergens broer en zuster kwade vrienden waren* Maar hij zag Lea zelden de laatste tijd* Andere lieden vermochten hem zo niet te boeien; ondanks de ontzaglijke schokken in de politiek, kwam hem het hele leven heden ten dage vrij leeg voor*
Vooral nu hij op den drempel bleef weifelen van het Café, *n ouderwets vuilbruin koffiehuis, verveloos van lambrize-ring* Weinig comfortabele houten stoelen stonden op *n door uitgetrapte peukjes eigenaardig zwartgebrande plankenvloer. Leeg dit alles ondanks de drukte die er gonsde* Niettegenstaande de diepzinnige groeven in de gezichten rond ’t Dos-tojewski-tafeltje, (hij boog beleefd naar de dieperiken die getourmenteerd en somber antwoordden), ondanks het levendig en euphorisch gesnap der linkse poëten, (Emile wuifde met geveinsde jovialiteit naar de nieuwsgierige dikhuiden), leeg trots ’t tafeltje Rusland van Heden, Vrienden van de Sovjet-Unie, leeg trots de vurige taal van ’n mager pas bekeerd acteur-zonder-gage, die zich heftig verzette tegen de