„Wie vliegt daar toch ?” Daarom vliegen zoveel figuren boven Chagall’s straten door zijn luchten* De dieren echter vliegen niet, het vliegen der Joden en der wetsrollen beduidt ook het zich verheffen boven de dompe gevangenis van het Ghetto* De oude Jood, die met z’n waren op den rug boven de koepelkerk zweeft, is van andere symboliek, overal aanwezig, overal in beweging en zelfs tot vlucht gedwongen* Het woord Luftmensch krijgt bij Chagall een nieuw accent, hij vliegt Bella’s kamer binnen als zij droomt, hij vliegt vrolijk met haar, van aardse zwaartekracht ontheven, boven de speelgoedkleine stad, Joodse engeltjes brengen boodschappen en het is vreemd, dat Rubens’ dikke engeltjes minder aanstoot geven dan de gekaftande van Chagall* Om schilder te worden ging de Jood een bittere lijdensweg* Als zijn moeder bij een schilder naar lessen in het vak informeert, wimpelt deze hooghartig af: Niks voor jullie soort, er valt niks te mazzelen* Hij komt pas los in Parijs, waar men hem apprecieert, in Berlijn wordt zijn werk tentoongesteld, gedurende den oorlog wordt het de grondslag van het expressionisme; om de Russische kleur, de Joods-Russische folklore wordt dan niet langer gegrinnikt, maar zijn nieuwe werk wordt zachter, zijn tedere bloemen verrukken; maar zijn groene en steenrode gezichten, zijn violette, melkblauwe en zwartblauwe luchten met groen fonkelende starren, zijn vaak op lakens en stukken hemd geschilderd! Want bemiddeld was de schepper dezer nieuwe kunst vooral niet* Desondanks is hij niet zonder zelfrespect, en bij hem bekoort, wat bij een ander hindert*
Hij bewondert zich zelf, zijn kind Idotschka, zijn vrouw, zijn hele misjpacha1, zijn dorp van herkomst* Soms krijgt hij 1 Familie.