Het gezicht uit mijn raam op de uitgestrekte groenwitte velden met hier en daar een geteerde barak met sneeuwig dak, herinnert mij aan Witebsk, waar Mare Chagall zijn Joodse, schuwe en vrijmoedige jeugd doorbracht.
Chagall moest als zovelen eerst door een campagne onder de kunstsnobs tot aanzien komen. En wie vroeger om zijn bizarre voorstellingen lachten, redeneren nu: Werk, waar zoveel duiten voor worden gespendeerd en dat met den Carne-gieprijs wordt bekroond, kan toch niet volslagen idioot zijn. Zulke meningen zijn niet bepaald van waarde. Er is laatst nog in een Joods blad, naar aanleiding van de auctie der z.g. ontaarde kunst, geschreven, dat ChagalPs arbeid een „Nacht-kunst” zou zijn. Men suggereerde, dat wij hier met de „Nacht-seiten des Lebens” te doen hadden, waarbij men wordt verzocht te denken aan Hölderlin, waanzin en soortgelijke schone zaken. Welnu, bij dezen vitalen Oostjood is van waanzin geen sprake; er is wel de onbestemde vrees voor het onbekende achter de dingen, die in veel grote kunst aanwezig is. De auteur van het genoemd inlichtend artikel, alvorens een weinig Kabbala overhoop te halen, vergeleek Chagall nog met Goya en Jeroen Bosch, aldus nog verder van huis dwalend; immers, in Chagall hebben wij nu een van die zeldzame Joden, die den vuurdoop van assimilatie, onvruchtbaar geïntellectualiseer ongerept hebben doorstaan, Chagall wordt niet geteisterd door een neerslachtigen kijk op het leven, hij aanvaardt dat leven met zijn ellende, omdat het ook rijkdom is aan vorm en kleur; als een Joodse Pallieter (maar een echte,