170 Gis teren komt nooit weerom...
'Mijn eerste is een zoon,' zei Wolf en hij wist niet, dat duizenden jaren lang alle joodse vaders dat hebben gehoopt en gezegd.
'Goed. Moet het kind dan besneden worden?'
'Peins er niet over,' zei Wolf.
'Het wordt verdedigd op hygiënische gronden.'
'Onzin. En als het waar is, moeten we de dokter laten komen en niet de coupeur van het rabbinaat.'
'De oudjes zullen het verschrikkelijk vinden als we het kind niet laten besnijden.'
'Het wordt eindelijk tijd, dat de oudjes weten, dat hun kinderen aan het getto ontgroeid zijn. In elk geval mijn zoon zal de merktekenen van het getto niet zijn hele leven hoeven mee te dragen.'
'Bereid je dan maar voor op ruzie.'
'Er komt geen ruzie. Ik doe het niet. Basta.'
Wolf gebruikte duizend listen en ging honderdduizend omwegen om te ontkomen aan het beslissende gesprek met zijn ouders. Als die vroegen of het kind besneden zou worden, j a of nee, zei hij: 'Misschien wordt het wel een meisje.'
Mirjam lag haar kraam thuis uit. Het was een jongetje.
Met de verpleegster maakten ze toen een afspraak, die veel weg had van een complot. De brave baker hield stijf en strak vol, dat de jonge moeder door het eerste kraambed zeer was verzwakt, ja, en de dokter had haar wel duizend keer gezegd ervoor te zorgen, dat de kraamvrouw zich niet opwond. Geen lange visites van familie, geen gekibbel. In de kraamkamer moest volstrekte stilte in acht worden genomen.
Dat complot hebben ze veertien dagen kunnen volhouden. Geen van de wederzijdse ouders dorst over de besnijdenis te spreken. Waarschijnlijk keken ze dwars door het complot heen en begrepen ze, dat het gesprek nutteloos zou zijn. De ouders van Wolf en Mirjam spraken er nooit meer over. Hun eerste kleinzoon was hun lief, onbesneden en wel. Wolf snoefde een beetje té opvallend in de kring van kennissen en vrienden, dat hij nu metterdaad had bewezen, dat hij zich aan de greep van het getto had ontworsteld.
Alleen... er was nog wel even een kleine strubbeling geweest toen de baby een naam moest hebben. Wolfs vader heette Samuel. De oude heer stond erop, dat zijn eerste kleinzoon naar hém zou worden genoemd. Dat was naar eer en traditie zijn onvervreemdbaar recht.
'Wie noemt zijn kind tegenwoordig nog Samuel?' hoonde Wolf.