Grafschrift voor een ziener 143
Op straat reed een ambulanceauto voorbij. Het gegil van de claxon klom tegen de gevels op en stierf in de wolken.
Hardop denkend zei hij:
'Wij joden zijn wat we zijn. Wij kunnen onszelf niet ontlopen en niemand laat ons ontsnappen.'
'Drink je thee leeg. Dat zal ook wel schaars worden, nu we in oorlog zijn.'
Dit zijn twee alleenspraken, dacht hij, twee rivieren, die onafhankelijk van elkaar stromen.
Hij zei, en hoorde zijn eigen woorden als de verkondiging van een vreemde waarheid:
'Voor ons joden in de verstrooiing is geen heldendood weggelegd. Wij willen ons leven geven, maar er is geen altaar om het neer te leggen, en daarom wordt onze offerande geweigerd.'
Hij worstelde met de woorden.
'Heroïsme, dat is het woord waar ik naar zocht. Heroïsme. In de diaspora eindigt elk leven en elke strijd met een anticlimax.'
Die nacht sliep hij in het kleine keukentje. Op de grond. Hij had de knieën opgetrokken, het hoofd voorovergebogen.
Hij bleef bij haar. Op straat kwam hij niet meer. Als de mensen hem voor het venster zagen, bespotten ze hem.
'Daar heb je de man, die voorspeld heeft, dat de moffen nooit zouden winnen. Profeet, waar blijft de Engelse vloot?'
Schuw zat hij in een hoekje, ver van het venster af. Met afwezige ogen keekhij in een onbestemde verte. Hij zag visioenen.
'Ik ben een oude man... Ik draag een gele kaftan met zwarte stippen. Op mijn hoofd schommelt een vreemde ronde hoed met bont. Ik loop door de straten van een klein stadje, een staedtele... iedereen is angstig, ik ook. Mannen met paarden en lange sabels. Ze slaan me. Ik val neer. Ze sleuren me aan mijn baard door de straten. Hoor Israël, Uw God is de Enige God...
Ik zie een meisje, ze heeft zwart haar en donkere ogen. Dit is een ander staedtele. Ik ben zelf het meisje. Er is een soldaat, die me beetgrijpt. Ik worstel, ik wil hem de ogen uitkrabben. Ik zeg: "Als je mij met rust laat, zal ik je deze amulet geven, die je beschermt tegen kogels. Je gelooft me niet? Schiet gerust op me, je zult zien, dat de amulet me beschermt." Hij schiet. Hoor Israël, Uw God is de Enige God...
Nu ben ik Avrom, ik ben mijn eigen vader. De appelen zijn giftig,