Grafschrift voor een ziener 135
hem. Kostbaar bont, goud, juwelen. Zo eentje, die niet eerder voldaan is of ze moet haar rijke minnaar hebben leeg-gebloedzuigerd.'
Misschien blijft dit gesprek met weerhaken hangen in de geheugens van zijn collega's, omdat de blonde vampier bezit van hun gedachten heeft genomen. Een paar maanden later kan iedereen woordelijk de waarschuwing van Izak herhalen. De ogenschijnlijk bloeiende industriële onderneming verkeerde reeds lang in ernstige moeilijkheden. De directeur is inderdaad de leeggebloede prooi van een blonde vrouw. Om haar grillen te kunnen bevredigen heeft hij de onderneming aan de rand van de afgrond gebracht.
'Hoe heb je dit zo vroeg kunnen weten?' vragen ze.
Izak houdt vol, dat het een rekensommetje was. Hij heeft immers over dat blondje gesproken... wohlauf dann meinjunge, hij heeft die twee samen gezien en verder was het een kwestie van één en één is twee.
Niemand voelt enige twijfel aan de waarheid van deze verklaring... alleen Izak zeifis onzeker. Hij heeft die industrieel immers niet gezien; en de blonde vrouw heeft hij verzonnen. Heeft hij dat alles eigenlijk wel verzonnen? De blondine bestaat. Ze heeft de industrieel onttakeld totdat hij kapseisde. Fantasie is waarheid, en werkelijkheid is verbeelding. Hij denkt: wie ben ik eigenlijk?
Een- of tweemaal per jaar spoorde Izak van Berlijn naar Amsterdam, de plichtsgetrouwe zoon, die een lange reis maakt om zijn oude moeder een genoegen te doen. Vranja woonde in een particulier verpleeghuis; Izak zorgde, dat het geld op tijd op tafel lag. Hij ging steeds meer lijken op de gespannen mensen, die tijdens het beursuur op het Damrak de koersen staan te lezen; je hoort de raderen van hun hersens dreunen: wat verdien ik... wat verdien ik...? Als ze Izak vroegen hoe het leven in Berlijn hem beviel, zei hij: 'Ik heb me niet aangepast. Ik ben gevlucht.'
'Maar hoe gaat het met je?'
'Na de dood van mijn vader was ik bang om met Vranja alleen te blijven. Berlijn kwam als een verlossing. Ik geloof wel, dat ik een rustig leven heb.'
'Erg opgewekt klinkt het niet.'
'Och, er zijn natuurlijk overal wel eens moeilijkheden', zei Izak.
De waarheid was, dat hij zichzelf bedroog. De moeilijkheden in Berlijn werden steeds groter, en hij wist het.
Wanneer Izak zich afvroeg wat de oorzaak van de moeilijkheden waren, wist hij, dat één verklaring niet afdoende kon zijn. Onder zijn collega's van de bank was niemand, die hem vertrouwde; en hij stond wan-