136 Gis teren komt nooit weerom...
trouwend tegenover allen. Tussen zijn chef en Izak broeide een stille vijandschap. Hij en die man w aren middelpunten van twee partijen, die tegen elkander stookten, conspireerden en soms elkanders werk saboteerden. Dit gekrakeel bedierf de sfeer. Toch wist hij, dat deze onderlinge nijd niet de enige oorzaak was van zijn groeiende weerzin tegen de Ber-lijnse werkkring. Mateloos irriteerde hem ook de ongeremde erotiek, die in de gesprekken een grote plaats innam. In zijn eigen leven speelde de zinnelijkheid slechts een zeer bescheiden rol. Hij sprak nooit over die kant van zijn leven, vreemde terughoudendheid in een omgeving, waarin iedereen de seksuele prestaties in volle openbaarheid mateloos placht te overdrijven. Maar ook dat was niet de diepste oorzaak van zijn onlustgevoelens. Hem irriteerden vooral de ridicule pogingen van zijn collega's, voor het merendeel joden, om zich hoe dan ook met hun oer-Duit-se omgeving te assimileren. Izak, die in Amsterdam gepoogd had het milieu, waarin hij was geboren te ontvluchten, ergerde zich in Berlijn aan de overdreven activiteit van mensen, die Berlijnser wilden schijnen dan de Berlijners zelf. Zijn chef was in een Pools stadje ter wereld gekomen; in zijn jonge jaren had hij nog rondgelopen met lange krullen langs de slapen, zoals de orthopraxie voorschrijft, maar eenmaal tot Duitser genaturaliseerd, schaamde hij zich voor zijn ouders. Met een krampachtige poging om grappig te zijn zei die chef eens tegen Izak:
'Ik lust geen ham. Ik eet maar één keer per jaar ham. Op Grote Verzoendag.'
Izak antwoordde:
'Dat je geen jood wil schijnen, moet je zelf weten. Maar je moet het niet op zo'n echt-joodse manier doen.'
Dit sarcastische gezegde, bezorgde Izak onder zijn collega's de reputatie van een joodse antisemiet. Een ernstige beschuldiging. In die dagen was het, dat een huisschilder in München het oude sluimerende antisemitisme van de Duitsers revolutionaire vorm had gegeven. Steeds meer Duitsers volgden met overgave de oproep. Hun atavisme moest wakker worden. De mateloze verguizing van alles wat joods was of wat joden werd toegeschreven verontrustte de collega's aan de bank. Zoals angstige kinderen in het donker trachtten ze hun vrees weg te blazen met luide grappen en woordspelingen. De beweging van de fanaticus uit München was nog klein, maar zij wekte verontrusting. Ook Izak zat in de greep van de angst, maar zonder dat hij met zoveel woorden de reden en oorzaak kon aangeven, wist hij, dat zijn vrees een gans andere natuur