Grafschrift voor een ziener 121
sinds jaren op de Houtgracht, Vranja leefde eigenlijk in de Banaat. Ze kende iedereen in Mokum Aleph, die uit die verre grensprovincie naar het westen was komen afzakken. Bij hen voelde ze zich op haar gemak; de onder- en boventonen van hun wonderlijk mengelmoes van Roemeens, Hongaars en Middelduits begreep ze. Bovendien waren die mensen vrijgevig. De mensen in de Banaat hadden in eeuwen van vervolging een ethische gedragslijn verworven: 'Alles wat men een landsman geeft - zal men zelf nooit tekort komen.' Van deze ethiek maakte Vranja op gepaste wijze misbruik. Tussen haar en de mensen uit de Banaat bestond een symbiose. Ze bedelde, weliswaar niet langs de publieke weg, maar wel zeer openlijk en in elk geval zeer energiek. Ze liep met punctuele regelmaat haar vaste klantjes af, die, even regelmatig, blij waren een werk van liefdadigheid te verrichten, dat immers welgevallig is in het oog van de Enige. Van haar benefactors duldde ze elke gril en elke flauwe grap. Haar stelregel was:
'Geld regeert de wereld.'
Ze maakte van deze opvatting geen geheim, ook niet wanneer ze met haar buren sprak. Al woonden op de Houtgracht straatarme mensen, de buurvrouwen waren niet geneigd met Vranja's kijk op de betekenis van het geld in te stemmen, althans niet openlijk. Voor die buren was de eerste leefregel: men moet zijn stand ophouden. Al vallen de muizen dood van de honger voor de broodtrommel, armoede is een strikt particuliere aangelegenheid.
Trouwens ook andere dingen hielden de buren angstvallig voor het oog van de wereld verborgen. Bijvoorbeeld als een van hun kinderen aan bedwateren leed. Het onmogelijkste werd verzonnen om die schande binnen de vier muren te verbergen. Het natte beddengoed werd op vlierinkjes gedroogd, of desnoods op een donker platje tussen de achtergevels. Het vreemde van Vranja echter was, dat ze zonder enige terughoudendheid aan god-en-de-hele-wereld vertelde, dat haar Izak geen enkele ochtend droog wakker werd.
'Iedereen mag het gerust weten. Izak pist nog elke nacht in bed, de grote lummel.'
Bij voorkeur gaf ze die familieschande aan de openbaarheid prijs, wanneer Izak erbij was. Soms protesteerde het kind zwakjes.
'Jawel hoor, hij pist in bed. Slaan zal ik je niet, maar ik zal je wel overal voor spot en schand zetten. Leer je het wel af.'
Elke dag spreidde ze het met urinekringen getekende beddengoed uit