120 Gis teren komt nooit weerom...
gen wonen, zo letterlijk kon de grote stem het niet bedoeld hebben. Ze streken neer op het stukje straat, dat langs het Waterlooplein loopt en dat ouderwetse mensen Houtgracht waren blijven noemen. Ze huurden een krottige eenkamerwoning met een klein keukentje, juist geschikt voor een huishouding van kinderloze dwergen. Maar de huur was laag. Meubelen bezaten ze nagenoeg niet. Trouwens waar hadden ze ruimte kunnen vinden voor meer dan één tafel en drie stoelen? Ze sliepen op de vloer in de huiskamer.
Vranja kreeg haar zoon in het ziekenhuis. Ze noemden hem Izak. Izak ben Avrom ben Izak. Izak Nahum. De eerste jaren sliep Izak in een zo-veelstehands kinderbedje in het keukentje. Toen hij daarvoor te groot werd, sliep hij op de grond op een stromatras.
Avrom verdiende bij een slagerijtje zo erbarmelijk weinig, dat hij zijn hele leven droomde van een bankbiljet van duizend gulden, dat hij eens, geleid door een wonderbaarlijke Voorzienigheid op straat zou vinden.
Hij worstelde altijd met de onhandelbare zinsbouw van het Nederlands, meer moeite nog kostte het hem zijn gedachten in het gelid te zetten - wanneer hij echter hardop droomde van dat fabuleuze bankbiljet, overwon zijn fantasie alle hindernissen.
'Op een dag... ik zal lopen... waar zal ik lopen?... op straat zal ik lopen en plotseling zal ik gaan... om de hoek... want een stem zal me fluisteren in mijn oor: Avrom jij moet gaan om de hoek... ik ga en daar ligt een briefje van duizend op straat... ik zal niet omkijken... nee, ik zal me bukken om mijn veters vast te maken... en ik zal opnemen de duizend gulden, die ik heb laten vallen... en dan ga ik kopen... oj wat ga ik kopen? De hele wereld ga ik kopen en dan zal ik nog genoeg óver hebben om ervan te leven.'
Zo'n alleenspraak begon in de ijle sfeer van dromerij, maar de laatste zin sprak hij uit met de kracht van een profetie. Als hij met veel moeite zijn woorden en gedachten had gedresseerd, schoof hij het ijzeren brilletje omhoog op het voorhoofd. Met een gelukkige glimlach droomde hij verder, een tevreden kind. Vranja daarentegen was een ontevreden volwassene. Ze kwam in haar leven altijd tekort. In haar woning ontbrak juist één kamer méér; aan haar huishoudgeld mankeerde altijd een paar guldens per week; haar karige meubeltjes... als ze ernaar keek, voelde ze zich tekortgedaan. Amsterdam... het was een goede stad, dat wilde ze wel toegeven, maar de straten waren zo talrijk, en zo eindeloos lang, en de mensen, die er woonden kon ze zo moeilijk begrijpen. Al woonde ze