Er zijn ouders, die een klein nerinkje drijven. Een spelonkje, waar ze garen en band verkopen. De omzet ligt beslist niet boven de vijf en twintig gulden per week; de netto winst houdt bij vijf gulden op. Ze zijn als galeislaven aan de toonbank gekluisterd. Maar als ze over hun kinderen en hun toekomst fantaseren, zeggen ze:
'De zaak is voor kleine Izak als hij te goeiem groot is.' Wanneer een pest-ponum dan hinderlijk-nuchter zegt: 'Wat mot zo'n kind later met zo'n prutszaak doen ?' ... kijken ze verbijsterd en vergramd.
'Goed, de zaak mag dan nou nog klein wezen, maar een goede zakenman kan van het kleinste stinkeltje een wereldfirma maken. Hoe is de Bijenkorf begonnen ? Ook als een garen- en bandwinkel. En weet U wel, dat de vader van Van den Bergh van de kunstboter, nog met een mars op zijn rug langs de boerderijen heeft gevent? Nou, wat zo'n man heeft gekund, kan mijn Izak toch zeker ook als hij groot is.'
De eigen kinderen komen het eerst; dat ligt in de orde der dingen besloten. Maar de warme genegenheid beperkt zich geenszins tot het eigen kroost. Ze zijn lid of minstens contribuant van vele verenigingen, die zich ten doel stellen arme kinderen te helpen. Het is een grote genade wanneer iemand in staat is van zijn eigen overvloed het bruidskleed te betalen van een arm meisje. Wie zelf niet rijk genoeg is om in zijn eentje die vreugde uit eigen middelen te financieren, wordt lid van een club, de kallechewre.
De armste heeft evenzeer een batterij collectebusjes in de hoek van de schoorsteen staan als de weelderigste rijkaard. Een busje voor een of twee chewres; dat zijn verenigingen tot steun en
90