zure uitjes terecht komt. Dat is een verzinsel: bij dit spel kun je niet mikken.
Moos zweet bloed van angst, wanneer hij jongens met een lange lont bezig ziet. Het ene eind van het brandbare touwtje friemelen ze in het deksel van een rioolput. Dan steken ze het andere eind in de fik. Als de vonk bij het moerasgas in de put komt, vliegen de ijzeren brokken van het deksel in het rond. Moos moge dan een goedhartige kerel zijn, als hij dat gevaar ziet dreigen, fannyblankerscohent hij naar het politiebureau. 'Die chazyrem van jongens benne weer met de put bezig.'
Hij heeft gelijk. Dienders zijn er om te waken voor de openbare orde, de goede zeden en de veiligheid van de straat. Maar ze gaan wel onder een beperkte bevoegdheid gebukt. Ze zijn ingedeeld in wijken. De hoofdcommissaris wil per se niet, dat ze hun wijk ooit verlaten. Al staat het Paleis op de Dam in lichterlaaie, de smeris van de Nieuwendijk mag er niet naar toe, want de Dam hoort bij de Kalverstraat en order is order. De jongens weten precies waar de geografische grenzen der politionele bevoegdheid liggen. Als ze achter het Panorama zonder zwembroek op z'n hondjes zwemmen, mag wat hun betreft gerust het hele politiecorps op het Roeterseiland opgesteld staan. De Roetersstraat is een andere wijk dan de Muidergracht. Maar wél in de wijk of niet in de wijk, de verschijning van een politieagent aan de verre horizon wordt altijd van straat tot straat doorgegeven. 'Juuuuuuuuuu... een kóóóperen helm.' Zelfs gaat die kreet de nadering vooraf van de twee dienders van het bureau Meyerplein, waarvan beweerd wordt, dat ze weliswaar verbaal opmaken, maar dat ze die papiertjes later verscheuren, omdat ze het niet over hun goede hart kunnen
72