Op het plein aan de kant van de Mozes en Aaronkerk woonde Jopie Koppie. Een man met zulke vuisten en zó 'n klein hartje. Voor het oog van de wereld was hij een geweldenaar, in stilte leende hij met tranen in de ogen zijn laatste cent aan gedalleste handelsmensen, die nebbisj hun kapitaaltje hadden opgegeten. Aan de overkant liggen de huizen van Vlooienburg. De naam heeft nooit iets met luizen uitstaande gehad. Daar komt straks het nieuwe stadhuis, tenminste als Amsterdam geen dode stad aan de Zuiderzee is geworden tegen de tijd, dat ze in Den Haag de behoeften van de hoofdstad des lands hebben erkend. Rechts is de Vissteeg waar het rook (en nóg ruikt) naar alle vis en al het zout uit de zeven zeeën. En daarachter de Joden Houttuinen, de Uilenburgerstraat, de Batavierstraat en de dwarsstraten, de Oudeschans. In de verte staat een beetje scheef en mallotig met zijn kraag op de straatstenen de Montelbaenstoren oftewel de Malle Jaap.
In dat laatste stuk van de Joden Breestraat was de Tip Top, en de Rembrandtbioscoop en de roemruchte zaak van de Twee Onnozele Schapen en er was de sigarenwinkel van Raap. Verderop woonde de bakker van de sluis. Op zaterdag was zijn bedrijf gesloten, allicht, maar het deeg stond afgedekt kant en klaar in vormpjes geboetseerd te wachten, totdat de eerste ster aan het uitspansel zichtbaar zou zijn. Dan wierpen de bakker en zijn knechts zich met hartstocht op hun werk. Zo min als zijn grootvader destijds in Egypte tijd had om het deeg te laten rijzen, gunde hij zich geduld om de verse kadetjes bruin en knappend te laten worden. En daar komt nu de uitdrukking vandaan:
'Ben je ziek ?Je ziet zo bleek als een zaterdagavondfijntje'.
191