Daar in de Lazarussteeg, naast de pastoor van de Mozes en Aaronkerk, woonde Raatje Rotje. Ze was een mensje, zoals er honderdduizend in de buurt hebben gewoond. Ze sprak een krom mengelmoes van middel Duits en halfbakken Nederlands. Maar ze was welsprekend door het geniale gebruik van intonaties en de natuurlijke toepassing van de ontkennende bevestiging.
Op een keer komt de huisbaas aan de deur. 'Raatje, heb je de huur voor me ?' 'Nee, ik heb niet de huur voor U.'
Wil de huisbaas gaan opspelen. Wél wonen, maar geen huur betalen. Zegt Raatje verontwaardigd:
'Waarom gaat U zo an ? Ik zeg toch, dat ik de huur voor U heb.' Gaat ze verder:
'Maar nou U toch hier bent, ik moet een rot in de woning hebben'. Ze bedoelde: ergens in mijn woning is een rat. Maar de huisbaas wilde haar verkeerd begrijpen. Toen is die huisbaas naar het Waterlooplein gegaan, heeft daar een tweedehands muizenval gekocht, heeft een rat gevangen. Val en rat bracht hij bij Raatje. 'Asjeblieft hier is de rot, die U hebt besteld.' 'ik een rot besteld?'
'U hebt toch tegen me gezegd: ik moet een rot in de woning hebben.'
'Dat heb ik gezegd. Dat zal ik niet afstrijen. Als ik zeg, dat ik een rot in de woning moet hebben, dan wil dat zeggen, dat ik al een rot in de woning héb. Ik hoor de hele tijd piepsen. Dat kan alleen maar komen omdat ik in de woning een rot heb.' Van die dag af heette ze Raatje Rotje. Zinnebeeld van een zeer persoonlijk taalgebruik.
190