En daar vooraan was de winkel waar ze potloden en kroontjespennen verkochten. Was dat nou een winkel van Vlieger, of was die destijds nog alleen maar op Rapenburg? De winkel in de Weesperstraat was een magazijn van toverachtige voorwerpen. Een doezelaar van een cent; daar kon je op school de goorste tekeningen mee verwazigen tot een niet slechte navolging van Maris. Gewone griffels en leien, en Fabergriffels, die van een zacht kalkachtig gesteente werden gemaakt, en het midden hielden tussen krijt en fondant. Sponzendozen met twee opbergruimten. Aan de ene kant was plaats voor een vochtig stukje zeemleer en een wit boontje; aan de andere kant voor een kledderig nat lelletje spons dat zijn eenzaamheid deelde met een bruin boontje. De boontjes ontkiemden in de vochtige donkerte tot een raar soort taugé.
In een bakje op de toonbank lagen de kroontjespennen en de dunne penhouderstokjes, en de potloden met een klein busje en een stukje vlakelastiek aan het eind. Er stonden potjes inkt, 'Kaisertinte'. Het was een huis met twee uitstalkasten en een stoep van"een tree of zes in het midden. Op de ene ruit stond geschilderd:
... dan kwam de stoep, en op de andere ruit stond:
Voor de kuise mensen in de buurt waren die opschriften aanleiding tot een kapitale grap.
'Vandaag of morgen ga ik naar binnen en zeg: meneer, mag ik voor twee centen behoeften, maar goed ingepakt.' Ernaast was de winkel van Spannet, de goud- een zilversmid. Boven woonde Iessie Pezaro, die me eens een gat in mijn sche-
185