kwam toen juist een nieuw woord in de mode: manufacturenwinkel. De eerste vestiging van een roekeloze firma, die zich zeer onlangs op het gevaarvolle pad van de textielhandel had gewaagd. Ene meneer Vroom en ene meneer Dreesmann. De mensen uit de buurt hadden geen voorgevoel van de glorieuze opgang, die deze twee handelslui zouden beleven. Ze kenden de firmanten niet eens. Zij waren vertrouwd met de chef van 'de Zon', een dwergachtig enigszins verknipt mannetje. Zijn humeur was zonniger dan de naam van de nering. Hij kende iedereen. Iedereen kende hem. Die winkel was zo bekend, dat hij een plaats kreeg in het spraakgebruik. 'Ik voel me niet zo goed tegenwoordig. De dokter zegt, dat ik meer in de zon moet.'
'Nou, misschien kan U winkeljuffrouw worden bij Vroom in de Weesperstraat. Bent U de hele dag in 'de Zon'. Een eindje verder in de Weesperstraat was de broodjes winkel van een man, die 'juffrouwtje' werd genoemd, en hij vond het nog grappig ook. Zijn specialiteit was een hoog gillend lachje en roombroodjes, een zacht zoetig meelgebak, dat in de vorm van een halve schelp werd gekneed. In elke schelp zat een kwak dikke gele room. Je kon er 's avonds om twaalf uur nog terecht. Meestal at je de zoetigheden voor de toonbank staande op. Giechelde het juffrouwtje:
'Ik krijg negen centen van U, voor drie roombroodjes.' 'Ik heb maar acht centen bij me.'
'Nou dan houd ik een cent aan U te goed. Volgende keer een cent extra.'
Maar hij vroeg nooit naar de uitstaande schuld, en hij pofte steeds weer opnieuw. Dat ventje moet schatrijk geweest zijn van geld, dat hij nooit van zijn klanten ontving.
182