Als een vrouwtje te kennen wilde geven, dat haar man een
goed stuk geld verdiende, snoefde ze:
'Ik haal mijn vlees altijd bij van Rijn in de hal.'
Als een jongen een meisje mee naar huis bracht, dat beslist niet
vroom was en ook niet tot de mooisten behoorde, smaalde de
familie:
'Kijk toe, voor zoiets moet hij buiten de hal halen.'
En ver boven de duurste slager uit de hal der Hoogduitsen,
troonde de minste slager uit de Portugese hal in de Kerkstraat.
Het was geen toeval, dat de vleeshal der Sefardiërs juist daar in de Kerkstraat te vinden was. Aan de andere kant van de Wees-perstraat liep de Kerkstraat door. Maar daar was het: de Portugese Kerkstraat. Daar heeft Israël Querido gewoond en Maantje, zijn geniale broer. En Monnetje Miranda kwam er vandaan, een van de bekwaamste regenten, die in de goede stad Amsterdam ooit aan het roer heeft gestaan. (Een poen met Nederlands paspoort heeft in het kamp van Amersfoort het leven uit zijn lichaam getrapt).
De winkeltjes in deze contreien verkochten op één dag meer rijst dan alle andere winkeltjes in de buurt gedurende een hele week bij elkaar. Behalve hun adellijke namen en de trots op hun afkomst, hebben de Sefardiërs uit Spanje een voorliefde voor rijst meegebracht, die ze tot het einde der dagen nooit zullen kwijtraken. Ze spraken geen Oost-Yiddish, en geen West-Yiddish, maar een patois van Spaans en Portugees, aangevuld met ietwat vreemd toegepaste Nederlandse zegswijzen. De Hoogduitse Joden wensten elkaar op de feestdagen: Gut Jontof. De Sefardiërs zeiden plechtig: Boas festas. In de Mar-
179