sjokten, sisten, puften en kreunden. Heen en weer. Dwars door dat treinen- en seinengedoe kankaneerde de Gooise Stoomtram, als een branie-achtig burgermensje, dat naar de bruiloft van haar enige dochter moet en bang is, dat ze te laat op het stadhuis komt. De Gooise met het kakkineus heen en weer gedraai van de achterste wagen, fluitend en bellend. Zie je me niet, dan hoor je me wel. Het Padje misschien niet meer dan drie honderd meter lang, was te midden van al dat tumult, het romantische scharrellaantje. Op het lage weiland stookten kwajongens in de avonduren fikkies, waarop ze aardappelen piepten. De prikkelende geur van rook hing als een sluier over het stille weggetje.
Ik steek de Sarphatistraat over waar vroeger bij de Muider-poort de paarden van de cavaleriekazerne woonden. Het paardenvolk kwam alleen in de oude buurten als het in de stad onrustig was. Een staking of een niet zo onschuldig relletje. De potige boerenjongens met hun rode grove gezichten zaten geklemd tussen knol en zwarte kolbak, langs de zadels staken de karabijnen met hun korte loop omlaag, de kolf naar boven. Dan snelde de waarschuwing door alle straten: 'Pas op, de liefdezusters zijn in aantocht.'
Ik steek de Sarphatistraat over, en ga de Roetersstraat in. Kijk, kijk, je kunt zelfs nu nog precies zien, dat destijds hier ook een ingang van de grote tramremise was. De grote deuren zijn er nog. In het asfalt liggen de moeten van de rails. Achter de Valc-keniersstraat deinde destijds een peuterig pontje. Je kon met dat zeekasteel de omweg naar de Muidergracht via de Muider-poortbrug met een paar honderd meter bekorten. Niet dat in
172