AFSCHEID
De grandeur van de oude buurt zal voortleven in vergeelde boeken, in schilderijen en prenten en misschien in een paar huizen, die op de Monumentenlijst staan. Waar hangt de heugenis aan de doodgewone arme slokkers? Wie herinnert zich het beeld van de dallesmannetjes en oggenebbisjvrouwtjes? Hun duizenden levens tezamen waren nog niet belangrijk genoeg om één korreltje cement te vormen in de sokkel, waarop de grote mannen der historie te kijk of aan de kaak staan ? Ik wist, dat de graafmachines van alle kanten de buurt hadden besprongen. De slopers waren hun onstuitbare opmars begonnen. Hun stormrammen beukten de muren. Hun knechten klauterden tegen de wallen omhoog. Er was geen verdediging. De mortel stoofin wolken van as en stof door de straten. Ik dacht: nog eenmaal wil ik door de wereld van destijds wandelen. Nog eenmaal zoeken naar iets, waarvan ik weet dat het er niet meer is. Ik wilde mij zelf dwingen te denken aan de alledaagse mensen, die ik heb gekend. Van de stenen buurt kan ik afscheid nemen, van de mensen niet.
In de Vrolik- en Blasiusbuurt begon ik. Die straten zijn nog niet aan de beurt om gesloopt te worden. Maar lang zal het niet meer duren, dan neemt de gemeenteraad een besluit: wég duizend huizen. Destijds was hier een niet zo gloednieuwe, maar toch nog moderne uitleg van de oude stad. De woningen telden één kamertje meer, de wanden waren versierd met een latje, dat zich lambrizering liet noemen. Er konden pulletjes op staan.
170