Dat gaatje is meestal een enorm pakhuis. De lompen liggen er in broeierige hopen te wachten op de schuit van de papierfabriek. De wrakke meubelen en portretlijstjes verhuizen vroeg of laat naar de kleine ateliertjes, waar ze echt antiek maken en liever wormstekig hout verwerken dan gaaf eiken. En de kleren ? Die worden gesorteerd volgens een code, die slechts voor een kleine kaste van ingewijden begrijpelijk is. Vervolgens worden ze in kisten gepakt. Die gaan naar Afrika. Naar de zwartjes. In de Kameroen vragen de klanten niet naar kwaliteit. Gaten en winkelhaken zijn in dat warme klimaat lekker luchtig. Hoe kleuriger zo'n voddencostuum, hoe hoger het daar in de markt ligt.
De voddemannetjes duwen hun gammele karretjes door de straten van Amsterdam, de eindeloze straten, de haveloze handelswaar; maar de koopmannetjes zijn niet moedeloos. Een lorreman zonder een ongemotiveerde, maar oersterke blijmoedigheid kan beter achter de kachel blijven hokken. 'Vodde...'
Als hij een van zijn lor- en lotgenoten ontmoet, zegt hij: 'Al in geen zeven weken heb ik een rooie cent verdiend.' 'Waarom blijf je dan niet thuis ?'
'Men kan nooit weten. Misschien ja heb ik vandaag een metsie-je.'
Een metsieje is een vondst.
Ze zijn eigenlijk met gouddelverskoorts geïnfecteerd, alleen, als zij een rijke ader vinden, zijn ze tevreden met lompen en oude nikkelen thee- en koffiepotten. Zegt een voddeman:
'De voddenkar is een broodwinning, daar niet van, maar je moet al tevreden wezen als 't droog brood is, pekelvlees is er niet op.'
127