In die lange rij wachtenden was het aantal clowns onevenredig groot. Die staken de draak met de ambtenaren. 'En jij?'
'Ik ben zelden thuis.'
'Schrijfop: Mozes Zeldenthuis.'
'En wie ben jij ?'
'Ik ? Ik ben de goeie...'
'Schrijfop: Jacob de Goeie.'
Ze dachten de gek te steken met de ambtenaar; in werkelijkheid belastten ze zichzelf en hun nakomelingen tot in het zevenenzeventigste geslacht met onmogelijke namen. Maar pluis alle namen na, de naam: Voddeman is er niet bij. Noch de naam Lorreman of Beneman. Conclusie: in de tijd van Napoleon was 't zo'n sof, dat er zelfs voor de voddeman geen droog brood te verdienen viel.
Voddeman is trouwens geen beroep of een branche van handel. Geen enkele jongen zegt tegen zijn vader en moeder: 'Als ik groot ben, word ik vodde- en beneman.' Voddemannetjes worden niet geboren. Ze worden gemaakt. Door de conjunctuur. Als in de normale beroepen geen werk meer is, zoeken de werkelozen elders een droog stuk brood. In de winter gaan ze sneeuw ruimen, 's Zomers pakken ze een kar met negotie. De avonturiers echter begeven zich in de lompenhandel, ongeacht het jaargetijde. Een paar vaste voddemannetjes zijn er wel. Die hebben zich gespecialiseerd. Een maakt de bijzondere aard van zijn commerciële belangstelling op luide toon bekend, terwijl hij zijn kar door de straten duwt: 'Wie heeft er nog ouwe nikkelen thee- of koffiepotten ?' Hij wordt er echter van verdacht ook belangstelling te koeste-
122