ning betaald kan worden. Als de transportarbeiders door de hardvochtige reders worden uitgesloten, zeggen de slijpers tegen elkaar:
'Al moeten we een jaar lang elke week betalen tot we blauw zien, de havenbaronnen kunnen de zenuwen krijgen.'
Het gezang in de zalen is verstomd. De slijpers zijn weg, de verstellers zijn verdwenen, de lopers, de leerjongens, de bazen, de meesterknechts, wég. Alles is weg. Zelfs de machtige bond is door de grondzeeën verzwolgen: hij leek voor de eeuwen geschapen.
Alleen de geur van olie en drijfriemen, het penetrante aroma van menselijk leven hangt nog tussen de muren; en ook die vervluchtigt. De weelde en overdaad van gisteren liggen vandaag op de kar van de voddenman.
Napoleon voerde de Burgerlijke Stand in ook voor de Joden. Maar velen torsten patronymics met zich mee door het zware leven. Dat is een geleerd woord voor een ongeleerde zaak: de Joden stonden bekend als zonen van hun vader. Mozes zoon van Izak. Moshe ben Jitzrak, Avrom ben Shimme ben Ari ben Nehemia. Zulke Joodse namen waren de heren van het Stadhuis te moeilijk. Moesten de bewoners van Uylenburgh en Vlooyen-burgh en Valckenburgh naar de secretarie komen. 'Wie ben jij?'
'Shmoel, de visschoonmaker.'
'Goed, in het vervolg heet jij: Samuel Visschoonmaker.' Zo zijn bizarre namen in de wereld gekomen. Visschraper, Grom, Kuit, Tafelkruier, Uienkruier, Augurkiesman, Konste-naar, de Hond, de Kadt, Muis, Boef, Aardewerk, Porcelein, Paardje.
121