bij geslepen kan worden. Slijpers zijn spoedig geneigd de versteller de schuld van alles te geven.
De slijpers zitten met hun rug naar het licht. De verstellers staan met hun gezicht naar het licht gekeerd aan de raamkant. De lange rij slijpers-ruggen vormt de ene kant van een smal looppad, de rij verstellersruggen de andere kant. De slijpers noemen de verstellers honend: de windenvangers. Zeggen ze:
'Heb jullie in de krant gelezen? Bij het honderdjarig bestaan van de Nederlandse onafhankelijkheid komt er een grote allegorische optocht.'
De slijpers-naast-an worden met een knipoogje gewaarschuwd dat er een dol-partij op komst is. Ze zijn onmiddellijk in. 'Zal wel een mooie optocht worden. Ga je ook kijken ?' Die vraag is tot de versteller gericht. 'Weet ik nog niet.'
"t Wordt een pracht van een optocht. Eerst komt de burgemeester in een steek en een open kalesj, dan komen acht herauten te paard met van die toeters waarmee ze muziek maken. En dan komen acht verstellers.' 'Waarom acht verstellers ?'
'Nou, d'r zijn toch acht paarden. De verstellers lopen vlak achter de paarden.'
De versteller bemerkt opeens, dat ze bezig zijn hem in te voeren. Hij zwijgt abrupt. Maar de anderen gaan verder:
'Waarom moeten de verstellers vlak achter de paarden lopen ?' 'Nou ja, windenvangers moeten er ook wezen.' De onversneden slijpersgijn is zelden subtiel en meestal zeer boertig; maar ze bezit een ondefinieerbaar esprit, slechts waar-
113