De kinderen kennen de groepstaal van het vak. Komt vader thuis:
'Van het personeel naast ons krijgt de helft gedaan.'
Dan weten ze: er zijn mensen ontslagen.
Het verrast hen geenszins wanneer moeder op een dag zegt:
'We moeten een beetje minizjéren met dit en dat, vader heeft
af.'
Zeggen de kinderen tegen hun vriendjes:
'Mijn vader heeft af.'
'Mijn vader heeft nog werk.'
Voor die diamantbewerkerswereld heeft het verbum 'werken' slechts één betekenis. Zwoegen, sloven, slaven, sjouwen, sappelen kun je in elk ander beroep. Werken doe je alleen maar in 't vak.
Loopt een werkeloze diamantbewerker op een dag langs de Handelskade. Ziet hij een andere werkeloze slijper met een baal suiker van vijftig kilo op zijn nek, doodop van 't ploeteren, uit het ruim van een schip naar boven klimmen. Vraagt hij: 'Werk je niet?'
De kinderen krijgen thuis spelenderwijs onderricht. Van appelen maken vaders sluit-appelen: ze zigzaggen de twee helften van elkander en laten daarna zien hoe die weer netjes in elkaar sluiten. Dat doen alle vaders in alle gezinnen overal ter wereld, waar ster-appeltjes worden gegeten. Maar de diamantslijper vindt het maken van sluitappelen ver beneden zijn stand. Hij kan geen peer voor zijn kinderen schillen of hij maakt er een briljantje van. Eerst gaat de schil er vliesdun vanaf. 'Als het steentje in het snijden teveel verliest, kan de baas zich verhangen.'
IIO