Sport staalt spieren.
Sport vormt een der belangrijkste delen van het leven van zeer velen.
De sportorganisaties tellen in ons land ruim een millioen leden.
Er zijn 40 sportbonden, met maar liefst 12.000 verenigingen.
Een kwart deel der sportbeoefenaren zijn vrouwen.
En nu hebben we nog niets gezegd van de mensen, die belang stellen in sport, zonder zelf aan sport te doen.
Er is — wie zal het ontkennen — veel verdwazing in de sport.
Alle overdrijving schaadt, ook hier.
Er is een verheerlijking van clubs en van spelers, waarin kunstmatige opwinding en erger een grote rol spelen.
Men mag niet blind zijn voor de uitwassen van de sport.
Maar anderzijds moet men erkennen, dat in de sportbeoefening en in de belangstelling voor sport zeer vele goede dingen zitten.
Sport brengt tienduizenden mensen in de buitenlucht.
Houdt hen af van het grove vermaak, dat veertig, vijftig jaar geleden de vrije tijd van de grote massa vulde.
Sport leert ook: zich gedragen overeenkomstig voorschriften (spelregels), die vooraf zijn vastgesteld. En die in volle vrijwilligheid worden aanvaard.
Sport leert ook zich te voegen naar de uitspraak van de scheidsrechter, die onpartijdig recht spreekt.
Dat zijn belangrijke dingen in een samenleving van vrije mensen.
En voor de karakervorming zijn ze zeker niet zonder betekenis.
Daarom dient de gemeenschap, binnen zekere grenzen, tegenover het gehele sportwezen niet onverschillig te staan.
De kosten van aanleg en onderhoud van speelvelden, zwembaden, sporthallen, sintelbanen, turnzalen en dergelijke, zijn zo gestegen, dat de meeste verenigingen ze uit eigen middelen niet meer kunnen opbrengen.
Hier ligt een ruim terrein van zorg voor de overheid.
Onderwijs.
De kerngedachte van wat het Plan van de Partij van de Arbeid over het onderwijs heeft te zeggen, vindt men in deze woorden: ״Een naar socialistische beginselen ingerichte maatschappij kan niet dulden, dat duizenden jongeren zonder voldoende vooropleiding in de maatschappij komen, en de huidige omstandigheden laten niet toe de krachten en talenten, welke bij velen aanwezig zijn, ongebruikt te laten."
Het Plan geeft een aanvulling op de verlangens, welke het in 1946 gehouden congres van de Partij van de Arbeid voor Actieve Cultuurpolitiek heeft vastgesteld.
Het Plan houdt zich dan in bijzonderheden bezig met: het tijdperk van de kleuterschool; het tijdperk van de algemene lagere school; het tijdperk van de voortgezette vorming; het onderwijs voor de rijpere jeugd; het hoger onderwijs; het onderwijs aan volwassenen.
Bijna iedere Nederlander stelt in vragen van opvoeding en onderwijs groot belang.
79