Dit beginsel nu heeft het Plan van de Partij van de Arbeid tot richtsnoer genomen, toen het zich met enkele vraagstukken van het gezin ging bezig houden.
״Ken gezin heeft, om rustig te kunnen werken, een eigen woning nodig ..." staat er in het Plan.
En het laat er op volgen: „We moeten met klem vasthouden aan de zeer gerechtvaardigde eisen voor een betere woonruimte voorziening. Men kan niet zonder schade aan de geestelijke hygiëne van ons volk terugschakelen op een lager woningpeil."
Nadat het Plan dan een aantal maatregelen opsomt, die de behoorlijke ontwikkeling van het gezin ten goede kunnen komen, zegt het:
„ .. .dat een groot aantal voorzieningen ten behoeve van het gezin strekt, zonder dat dit steeds uitdrukkelijk is uitgesproken. In dit opzicht kan de socialistische beweging bogen op een ״gezinspolitiek", welke niet gering geacht mag worden. De arbeidswetgeving, de voorzieningen voor de jeugd, het streven naar goedkoop onderwijs, de schoolmelkverstrekking, de schooltandverzorging, de subsidie aan bedrijf sscholing en talrijke andere voorzieningen betekenen zeer dikwijls een grotere steun aan het gezin, niet in de laatste plaats aan het grote gezin, dan kinderbijslag of belastingaftrek. Het behoort tot de merkwaardigste tegenspraken in het staatkundig leven van ons land, dat bij de strijd voor deze voorzieningen lang niet altijd de medewerking werd — en wordt — verkregen van die groepen, die zo nadrukkelijk gezinspolitiek voorstaan..."
Vrije jeugdvorming.
De school en de jeugdbeweging kunnnen het gezin niet vervangen.
Ze leveren naast het gezin een stuk karaktervorming.
De betekenis van deze vrije jeugdvorming in Nederland is zeer groot.
Ongeveer een millioen jonge mensen nemen er aan deel.
Dat betekent: de toekomst van ons volk is voor een belangrijk deel in handen van de instellingen, die déze vrije jeugdvorming op zich hebben genomen.
Alleen om die reden reeds, kon het Plan van de Partij van de Arbeid deze instellingen niet onbesproken laten.
Het Plan van de Partij van de Arbeid stelt, dat uitbreiding van dit aantal gewenst is.
Het werk der vrije jeugdvorming moet worden uitgebreid en dieper gemaakt.
Als er gebrek aan leidende krachten is, dient de gemeenschap er voor te zorgen, dat men over middelen gaat beschikken, waardoor men zulke krachten kan aantrekken.
Er moet gezorgd worden voor meer lokalen, meer speelvelden, jeugd-hotels, leeszalen, jeugdbioscopen, clubhuizen en speeltuinen.
In eerste aanleg blijve dit werk in handen van hen, die voor de opvoeding der jeugd verantwoordelijk zijn.
De gemeenschap hebbe er voor te zorgen, dat dit werk mogelijk blijft en kan worden uitgebreid, zonder dat de zelfstandigheid van dit jeugdwerk wordt aangetast. Het moet zich naar eigen aard en beginsel kunnen blijven ontwikkelen.
78