derige speekselblaasjes. Even later is hij helemaal stil.
״Gryze Jaap is kapot", zegt Marku onbewogen. „Kletskousen duld ik niet. Tony, jij zorgt, dat het lijk zo gauw mogelijk weggebracht wordt. Je doet er maar mee wat je wilt. Het is jouw risico."
Nu zeg ik het niet ondoordacht. Integendeel, in een halve seconde heb ik mijn situatie aan alle kanten bekeken. Dit is het eind. Rustig en doodbedaard zeg ik voor de tweede maal:
„Dat vertik ik."
Ik verwacht eenzelfde consternatie als straks, maar dan tienmaal zo erg. Ik ben niet van plan er me deze keer met een leugentje uit te draaien. Nu moet maar komen wat wil.
Er breekt wel rumoer uit. Maar het is een heel ander soort lawaai dan straks.
Patchecki schreeuwt:
„Dat is tegen de afspraak! Met moord wil ik ook niets te maken hebben."
De drie T's braken een stroom van verwensingen en godslasteringen uit. Het komt hierop neer, dat ook zij op geen enkele wijze medeplichtig willen zijn met moord.
Nickey zegt:
„Waar mijn baas gaat, ^:a ik ook." Hij wijst op Patchecki.
Marku wordt lijkbleek.
Hij springt op. Gaat met zijn rug tegen de muur staan. De revolver houdt hij in de hand.
„Handen omhoog!" roept hij. „Wie zich verroert,
174