ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Voorzover ik het kan bijhouden, zit ik vijf dagen in dit huis opgesloten.
Af en toe hoor ik deuren open en dicht gaan.
Ik hoor mensen lopen.
Soms zie ik Marku in zijn invalidewagentje over het plaatsje rijden. Marku, de Machtige, zit onder de lantaarn ....
De slungelige jongen is nog steeds even weinig spraakzaam als in het begin.
Molly zie ik nooit.
Maar op de ochtend van de dag, die naar mijn schatting de zesde van myn onvrijwillig verblijf in het huis is, komt Marku binnen. Zonder invalidewagen natuurlijk.
Hy loopt even gemakkelijk als ik zou doen, wanneer ik niet met ijzeren banden aan stoel of bed gekluisterd zou zijn.
״Ik ben een paar dagen op reis geweest", zegt hij.
Hij op reis? Hij moet zijn grootje voor de gek houden! Maar ik laat niet merken, dat ik hem in zijn wagentje over het binnenplaatsje heb zien scharrelen.
Ik antwoord met een gebrom, dat alles en niets kan betekenen.
״Vanavond komt Patchecki hier", zegt hij.
Dat is goed nieuws, denk ik, maar ik zeg niets.
162