Tijdens de worsteling komt Molly's mond vlak bij mijn oor.
״Goed zo, Tony!" fluistert ze. „Ik vind je een pracht-man!"
Ik vind, dat ik het er tot dusver nog niet zo slecht van heb afgebracht.
Tijd gewonnen, is veel gewonnen.
Tijdens het gevecht met Grijze Jaap heb ik bovendien iets ontdekt. Ik ben weliswaar aan de stoel gekluisterd, maar met veel moeite kan ik toch een beetje strompelen. De ijzeren ringen, die mijn benen vasthouden, zitten vlak onder mijn knieën. Ze rusten op mijn kuitspieren. Als ik me vooroverbuig, komen mijn voeten vrij. Heel voorzichtig kan ik dan schuifelen. De stoel til ik makkelijk van de grond op. Die moet ik overal meedragen.
Op die gebrekkige manier werk ik me, zo geruisloos mogelijk, in de richting van het raam. Ik blijf aan de kant van de muur. Zo kan ik naar buiten kijken zonder dat ik direct bij de buren in de gaten loop.
Maar er zijn geen buren. Ik kijk uit op een goor binnenplaatsje. Aan de daken van hoge huizen in de verte, die ik kan zien, bemerk ik, dat ik nog steeds in de buurt van de Nieuwezijds Voorburgwal moet zijn. Tien tegen één staat het huis in een van de steegjes achter de bocht van de Nieuwendijk.
Ik hoor beneden een deur opengaan.
Een invalidewagentje wordt naar buiten gereden door een slungelig jongmens.
De invalide is. . . . Marku!
159