״Vuile, vieze, smerige rat!" sis ik. „Nou durf je, hè? Als ik maar één hand vrij had, zou je van angst op de vlucht slaan. Ik dacht het wel, Grijze Jaap zit in deze zaak! Dan kan het niet anders dan een smerige zaak zijn, waar een jongen met een beetje fatsoen zijn handen niet aan wil vuilmaken. Jij hyena. . . ." „Hyena?" zegt Jaap en er komt iets in zijn ogen, dat ik nooit eerder bij iemand heb gezien. „Hyena? Ik een hyena? Jij opgeblazen praatjesmaker!"
Hij stapt op de stoel af en geeft me een slag tegen mijn rechterkaak. Het doet pijn. Maar het meeste pijn doet het gevoel, dat ik niets terug kan doen.
„Tjonge", zeg ik, „wat is die Grijze Jaap sterk. Hij durft Tony Toeroen te slaan, tenminste zolang hij weet dat Tony niets terug kan doen. Lafaard. . . ."
Grijze Jaap is nu door het dolle heen. Ik ook trouwens. Het kan me niets meer schelen wat er met me gebeurt. Ik laat me door die jakhals niet klein maken.
Hij staat nu voor de stoel.
Uit zijn colbertzak haalt hij een boksbeugel. Ik krijg nu een klap tegen de andere kant van mijn kaak. In mijn hoofd vindt een aardbeving plaats.
Ons gesprek gaat op die manier nog een tijdje door. Ik kan meer terugdoen dan mijn beul heeft verwacht. Hij wil me vernederen. Hij wil, dat ik om genade smeek. Hij wil, dat ik huilend en kermend roep: Hou op!
Nu ik, ogenschijnlijk, ijskoud blijf onder de slagen, heeft hij het gevoel, dat hij ook dit gevecht heeft verloren.
Plotseling houdt hij op met slaan.
153