makkelyk verbergen. Maar wie loopt hier op dit uur van de nacht? Niemand, behalve ik.
Ik kom op het pleintje. De lugubere lantaarn in het midden is zeker defect. Het ding brandt tenminste niet. Ik vind dat verdacht. Maar ik heb weinig tijd om er over na te denken. Ik ga in een donkere schaduwhoek staan. Stuk voor stuk bekijk ik de donkere huizen. Geen spoor van leven zie ik.
Opeens voel ik een brandende pijn in mijn achterhoofd. Iets is met een zware klap op mijn schedel neergekomen. Ik heb geen tijd om te weten wat het is, want ik houd op met weteri.
151