Mijn bedoeling was om, al vragend, langzamerhand in de buurt van dat pleintje te komen, waar die lantaarn staat. Nou, dat lukt me natuurlijk heel gemakkelijk. Op dat pleintje staan alleen maar pakhuizen en hier en daar een werkplaatsje. Er woont maar één vent, een invalide man, die in een wagentje wordt rondgereden door iemand, die ik voor een knechtje aanzie."
„Invalide?" zeg ik. „Hoe invalide?"
„Invalide is invalide. Ik ben geen dokter. De man schijnt verlamd of zoiets. Hij zit in een wagentje, zoals ik al zei. Een beetje zielige figuur, als je het mij vraagt. Dat knechtje van hem lijkt me ook niet de slimste."
„Heb je met hem gesproken?" vraag ik.
„Wel met het knechtje. Niet met de baas. Die kan niet spreken. Een beetje mummelen, dat is alles. Dat knechtje wist niets. Trouwens, je kon aan zijn gezicht wel zien, dat hij niets wist."
„En verder zgn alle huizen onbewoond?"
„Ja."
' „Wel baas, bedankt voor de moeite. Maar er zal niets anders opzitten, dan dat ik er vannacht zelf op uit ga. Daar op dat pleintje zit het geheim en al moet ik alle huizen steen voor steen afbreken, ik móet aan de weet zien te komen, wat er aan de hand is!"
's Avonds tegen twaalven slenter ik van de Nieuwen-dijk af de steegjes in. De eerste paar huizen zijn verlicht. Daar zitten vrouwen voor het venster. Maar verderop is het leeg en verlaten. De straatlantaarns branden. Het warnet van steegjes en slopjes is vol donkere schaduwen. In die hoeken kan iemand zich ge-
150