Hein op zo'n gezellige manier in de armen viel?"
Jan van Dommelen doet me een zeer uitvoerig verhaal.
Op een avond ben ik door een man, die ik aan de beschrijving herken als Grijze Jaap, naar de garage gebracht. De wagen van Patchecki, de Cadillac, stond gestald. Ik werd in een Packard gebracht, de Packard van Grijze Jaap. Helemaal bij mijn positieven was ik toen niet. Grijze Jaap vertelde, dat we die dag feest hadden gevierd. Een van onze vrienden was jarig. Ik was zo teut, dat ik nauwelijks kon lopen. Grijze Jaap heeft me uit de Packard geholpen, waarbij hij me moest ondersteunen. Jan van Dommelen stond één hoog voor het raam. Hij heeft me aan de zij van Grijze Jaap zien wankelen. We gingen de garage in. Even later kwam Grijze Jaap bij van Dommelen boven. Hij vertelde, dat Patchecki woedend zou zijn als hij wist, dat ik me een stuk in de kraag had gedronken. Daarom vond Grijze Jaap het beter, dat ik in de garage mijn roes zou uitslapen. Ik moest de volgende ochtend met de Cadillac aan het Amstelhotel voorrijden. Van Dommelen hoefde me dus niet te wekken, want half elf bij Patchecki was bijtijds genoeg voor me. Tegen dan zou ik beslist uitgeslapen zijn.
„Je hebt dus in de garage geslapen, Don."
„Jawel", zeg ik grijnzend. „Heel erg vast geslapen."
„Nou", zegt Jan van Dommelen. „En het volgende wat ik van je zag was de ziekenauto. Ik lag nog op mijn bed, toen ik een enorme klap hoorde. Tenminste, ik denk dat ik daardoor wakker werd. Ik dacht nog: onweer en dat midden in de winter. We leven toch wel in
138