die botsing niet helemaal eerlijk spul was. Daarom hebben ze overal verteld, dat ik dood was. Toen ik maar eventjes vervoerd kon worden, hebben ze me naar een stil ziekenhuis in de buurt van Apeldoorn gebracht. Daar ben ik opgeknapt.... dat wil zeggen, helemaal beter ben ik nog niet."
„Wat scheelt er dan nog aan, Don?" vraagt het mannetje.,
„Ik heb een klap gehad, dat mijn hersens aan het dreunen zijn geslagen. Nou ben ik mijn geheugen kwijt. Niet helemaal, natuurlijk, want anders was ik nooit hier gekomen, maar ik herinner me niets meer van wat wij destijds samen hebben gesproken."
„Maar Jantje van Dommelen is zijn geheugen nog lang niet kwijt. Die weet nog alles, hè-hè-hè! Laten we een hassebassie drinken en ouwe herinneringen ophalen."
„Jan, hoe heet ik?"
„Don Ferrares."
„Waar kom ik vandaan?"
„Van de ooievaar, hè, hè, hè!"
„Geen flauwe kul. Waar kom ik vandaan?"
„Amerika."
„Ben ik getrouwd?" vraag ik.
„Nee, en kinderen heb je ook niet, hè, hè, hè."
„Dat lucht me in elk geval op."
„Waarom?"
„Dat weet ik niet. Ik ben immers mijn geheugen kwijt. Maar het lucht me op, dat is de hoofdzaak."
„Vertel eens, wat is er gebeurd, toen ik bijna Magere
137