heeft een beetje zijn tramontane herwonnen. Hij spreekt nu een soort steenkool-Engels met me. Ik spreek Engels terug. Laat ik maar in mijn rol blijven. Van Dommelen is een oud mannetje. Beverig. Zijn haren zijn wit. Zijn fletse ogen staan vol tranen. Zo heeft het weerzien met een doodgewaande hem geroerd.
״Gossiemikkie, Don, wat is de ouwe Jan blij dat je er weer bent." (Hij heet dus Jan van Dommelen.)
„Dat zal wel", zeg ik. „Ik ben anders aan het randje geweest."
„Tja", zegt Jan van Dommelen, „het was een enorme klap, die je met die slee maakte tegen het muurtje aan de overkant. Ik geloof, dat ze het helemaal in Haarlem hebben kunnen horen. Toen de ziekenauto kwam en ik je zag wegdragen, zei ik: Jan, zeg Don maar gedag, die arme Don is dood, hartstikke, helemaal volslagen dood. Zo'n klap overleeft geen olifant."
„Nee", zeg ik, „een olifant niet. Maar ik wel. Ze hebben me naar het Binnengasthuis gereden en net toen ze me op ijs wilden zetten, schijn ik te zijn gaan kreunen."
Jan van Dommelen's oude hersens beginnen nu min of meer normaal te draaien.
„Ik snap er niks meer van. Die rechercheur is hier geweest, De Wilde heet hij en die zei, dat je dood was. Hij vroeg me van alles, maar ik heb me van de domme gehouden. Hè-hè, wat kan een oud kereltje als ik weten van zo'n flinke chauffeur als Don Ferrares, hè-hè!"
Ik moet voorzichtig gaan fantaseren (begrijp ik) om van Dommelen aan de praat te houden.
„Jan, ze hebben vuiligheid vermoed. Ze dachten, dat
136