VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
De Rapangestraat ligt in een van de nieuwe wijken van de stad, helemaal aan de buitenkant. Er wonen maar- ׳, weinig mensen. Waarschijnlijk daardoor is de garage nog niet verhuurd.
Ik slenter er langs. De deuren zijn dicht. De kleine ruitjes zijn stoffig. Boven de garage zijn drie verdiepingen.
Als ik goed kijk, zie ik, dat er een briefje op de garagedeur geplakt is:
INLICHTINGEN BOVEN EEN HOOG BIJ VAN DOMMELEN.
Als de deur wordt opengetrokken, loop ik meteen door naar één hoog.
״Meneer van Dommelen, ik wou. . . ."
De woorden blijven me in de keel steken. Van Dommelen ziet me uit het donkere trapgat te voorschijn komen. Hij wordt lijkbleek. Hij staat met zijn armen te zwaaien alsof hij iets wil afweren, dat bovenop hem valt.
Eindelijk stottert hij:
„Don.... jeminee.... Don.... jemineetje.... Don, lééf je?.... hoe is 't mogelijk?"
Het duurt een paar seconden voordat ik besef wat er aan de hand is. IK LIJK OP HET LIJK.
Van Dommelen ziet me voor Don Ferrares aan. Hij
135