ik het niet hoor, is het ook goed. Vertel eens, hoe is het met Grijze Jaap? Heeft die nog iets gehoord van die aanrijding?"
„Geen letter."
„Kon ook eigenlijk niet. Die brigges heeft geen verbaal opgemaakt. Die had het veel te druk met schaften."
„Grijze Jaap heeft zijn slee verkocht."
„Is hy nou weer ridder te voet?"
„Ridder te voet? Je tante! Hij heeft van iemand een Rolls overgenomen. Ze zeggen, dat hij er zesentwintigduizend gulden voor heeft betaald."
„Zesentwintig rooien? Die vent heeft zeker ergens een goudmijn ontdekt."
„Hy zwemt in het geld. Ze noemen hem: 't goeie heertje de tweede."
„Daar komt hij natuurlijk nooit op een eerlijke manier aan."
„Dat zeg ik ook. Maar waar pikt hij die centen?"
„Link werk", zeg ik. „Vandaag of morgen krijgt het Hoofdbureau in de gaten, dat Grijze Jaap teveel geld heeft. Dan worden ze nieuwsgierig. Nou, de rest weet je wel."
„Het Hoofdbureau is al nieuwsgierig", zegt de baas. „Je kent die rechercheur de Wilde toch wel....?"
„Of ik die ken? Ik zou rekenen van yes."
„Nou, die is al een paar keer hier geweest. Vissen. Je kent dat wel. Maar niemand weet iets en niemand vermoedt iets."
„Wat zegt Grijze Jaap zelf? Als ik hem goed ken, kan hij het opscheppen niet laten."
„Precies. Af en toe drinkt hij hier een slok teveel.
132