arm streelt... en een miljoenste deel van een seconde later sta ik weer in het Kröller Museum op de Hoge Veluwe voor de vitrine met het geglazuurde beeldje van Mendes da Costa. Het beeldje is nietig van afmeting maar het heeft de lijnen van een monument. Twee Joodse vrouwtjes keuvelen met elkaar. Op de arm van het ene mensje zit een kind. De moeder kijkt zó verheerlijkt, dat het andere vrouwtje maar één woord kan hebben gezegd: 'Gesjiewes. Engel.'
Zo'n beeldje is met toverkracht begiftigd. Het is een lamp van Alladin. Net als in het sprookje krijgen schimmen uit het verleden hun oude vertrouwde gestalte terug. cAls de dag van gist er erf.
Sterker dan de magie van Alladin's lamp, is de macht van Mendes' beeldje.
Ik ben in Israël in een militair kamp.
Voor mij staat een korporaalse uit Zuid Afrika.
Ze streelt met een moederlijk gebaar de getatoueerde arm van
een meisje, dat, kind nog, in Ausschwitz aan de dood ontkwam.
Het beeldje is duizenden kilometers ver weg. Opgeborgen in
een glazen vitrine. Bewaakt door suppoosten.
Ik kan het niet aanraken.
En toch spreidt het zijn betovering uit, dwars door ruimte en tijd heen.
Ik zie en hoor meneer Maandag weer, die Mosjekofski heette of zoiets en die in de Manegestraat woonde, meneer Maandag onze schoenmaker.
Vijf en twintig jaar geleden, toen ik van een reis door Oost Europa terugkwam zei hij tegen me (en zijn stem klinkt opnieuw in mijn oren): ' ׳
250