gingen ze samen naar het tuintje achter het huis.
Tjonge, tjonge, wat een prachtige woonwagen was dat. Van buiten leek hij niet groot, maar mooi was ie. Heelemaal groen geschilderd en op luchtbanden.
״Hoe gaat het ding nou vooruit?" vroeg Karei.
״Doodgewoon," zei Hendrik, ״ik zet er een trekpot voor, die trekt immers..."
״En dan zeker een dauwworm d'r achter," zei Willem, ״die kan dan douwen..."
״De lat zeit wat," plaagde Hendrik.
Maar Karei was niet tevreden.
״Hoe gaat het ding nu vooruit," vroeg-ie nog eens.
״Tja, dat is een heel verhaal," zei Hendrik, ״ik ben eigenlijk van plan geweest om een reis te maken door Nederland en een kennis van me te vragen om mee te gaan. Die kennis heeft een oud Fordje, zie je, en dat kan je er fijn voorspannen..."
״Inplaats van de trekpot," zei Willem.
״Precies... maar het vervelende is nu, dat die kennis van me werkloos is geworden. Z'n Fordje heeft hij moeten verkoopen en hij kan niet mee. Nou heb ik een woonwagentje en ik kan d'r niet uit."
״Da's jammer!" zeiden de jongens.
״Nu is er nog één oplossing mogelijk," zei Hendrik. ״Eén fietser kan in zijn eentje het ding niet voorttrekken, daarvoor is het te zwaar en een paard... nee hoor, voor koetsier heb ik geen aanleg. Maar weet je wat wel kan?"
De jongens wisten het niet.
״We kunnen er wel drie of vier fietsers voorspannen. Dan is het gewicht verdeeld."
Karei en Willem keken elkander aan. Eenzelfde gedachte was hun te binnen geschoten.
״Zouden wij dan niet met z'n drieën?" zei Karei.
Hendrik trok rimpels in z'n voorhoofd.
18