want het krantje van het dorp had natuurlijk ook over het ongeluk geschreven en gisteren had er in gestaan, dat de jongens het volgend jaar naar Amerika zouden gaan om daar Indiaansche jongens te worden.
Ze waren gewoonweg de beroemdheid van het dorp geworden.
De menschen stonden langs den weg. Voorop stond de bakker Wittem, bij wien de jongens een paar weken geleden in gonjezakken koekjes gegeten hadden en er stonden allemaal vriendjes.
En verder stond er een muziekcorps met allemaal koperen instrumenten, die glansden in de zon.
Al die menschen stonden uit te kijken of ״De Trekpot" in de verte niet naderde.
Ja, daar naderde in de verte een zwart stipje.
״Daar komen ze," riepen alle menschen en de muziek begon te spelen.
, ,Tetererettetetete.''
En de vaders en moeders liepen hen een eind tegemoet en daar begon midden op den weg een zoen-partij, dat Karei en Edo en Max een kleur kregen van verlegenheid en riepen:
״Toe, schei nou uit, we zijn toch geen zuigelingen meer!"
Maar ze vonden het toch maar wat fijn, dat ze weer bij hun vaders en moeders terug waren.
En nu stonden de jongens weer voor de school.
De vacantie was om.
Het was kwart voor negenen. Zoo dadelijk zou de bel gaan en dan zou de vacantie weer afgeloopen zijn.
Karei en Edo en Max waren het middelpunt van een grooten kring. Willem was er nog niet. Die moest nog een weekje thuisblijven, had de dokter gezegd.
En natuurlijk moesten de jongens vertellen.
״We gaan naar Amerika, volgend jaar," zeiden ze.
״Mogen we mee?" vroegen de anderen uit de klas.
181