En Willem is beter, kijk zelf maar.
En aan het slot van mijn gedicht
Zeg ik, dat iedereen voor Willem zijn hoedje licht.
״Klaar," zei Karei en hij stak de rol papier weer in zijn zak.
„Ik vind dat gedicht van jou een kolossaal stuk werk," zei neef Hendrik en Zwartemes zei:
„Als Karei een Indiaansche jongen was, zouden we hem vast en zeker opperhoofd maken en dan moest hij eiken dag een gedicht schrijven en 's avonds voorlezen bij het vuur."
„Eiken dag... een gedicht," zei Karei, „dank je lekker hoor, ik heb me op dit vers bijna een hooge hoed gewerkt. Dat valt niks mee, hoor, om overal de goeie rijmwoorden op te vinden."
Zwartemes stond op en zei:
„Witte Vleermuis heeft me gevraagd of ik jelui er aan wil herinneren, dat hij heeft gezegd: als Willem beter is, worden de jongens allemaal lid van den stam."
„Nou en of we het ons herinneren," riepen de jongens allemaal door elkander, „wanneer gebeurt dat, nu of later... over een week moeten we weer naar school."
Zwartemes praatte wat met Witte Vleermuis en toen zei hij:
„Het opperhoofd heeft een veel beter plan. Hij wil het nog een jaar uitstellen."
„Nog een jaar uitstellen," riepen de jongens, „jakkie wat flauw, waarvoor is dat nou noodig?"
„Dat zal ik je zeggen," zei Zwartemes, „Witte Vleermuis heeft gezegd, dat hij over een jaar weer in Amerika is... enne... enne..."
„Toe nou... spreek op!" riepen de jongens ongeduldig.
„Enne... enne..." ging Zwartemes tergend langzaam
178