En allemaal stonden ze toen op, en Karei zette het lied in, dat ze allemaal meezongen:
Lang zal hij leven, Veel zal hij geven, Lang zal hij kleven In de stijfselton, In de stijfselton, In de stijfselton. Hiep, hiep, hiep hoera!
Toen ging Karei verder met zijn gedicht:
Maar laat ik nu nog even vertellen, dat we in dit
[circus waren gekomen, Wat we nooit van z'n leven hadden kunnen droomen. We zochten naar Loebas, dien trouwen hond, Welke ons vijftal in circus Salto vond. Zoo kwamen we dus in het circus, de Trekpot ging mee En we waren allemaal heel best tevree. Het duurde zoo een dag of vier En we hadden reuze veel plezier. Toen kwam de gebeurtenis met dat wilde paard, Dat Willem bedwong, onvervaard. Maar van zijn eigen knol beleefde hij geen lol, Want van den schrik vloog die toen op hol. Willem hield zich vast aan de manen van het beest, Maar het scheelde niet veel of hij was den hoek om
[geweest,
Want toen het beest opeens ophield met rijen, Smeet hij Willem pardoes met zijn hoofd op de keien. Willem kwam in het ziekenhuis terecht En de professor zei: ״Jongens het gaat slecht." Maar de dokters hebben gewerkt als paarden, Zoodat ze Willem voor ons bewaarden, En nu zitten wij allemaal weer bij elkaar,
177
Met de Trekpot op avontuur. 12