pseudoniem... hè jakkie, dat is een woord, daar komt je tong van in den knoop. Maar ik heb het gedicht heelemaal alleen gemaakt en kan ik nou verder lezen of niet?"
„Ga je gang maar weer Karei," zei neef Hendrik en Karei las verder:
Loebas, onze hond, was een onvoorzichtig beest En als wij niet hadden opgepast, dan was hij er bijna
[geweest,
Want toen wij bij den boer zaten en zaten samen te
[praten,
Toen had er toch maar geen van ons ook maar in de
[gaten,
Dat van het circus een paar onverlaten Loebas pakten bij zijn oor En er gingen met hem vandoor.
Karei haalde adem. Toen rolde hij zijn papier nog verder af en ging verder:
Maar onze Willem is een reuzevent En denk je, dat hij bang is? Niks hoor, geen cent. Dat zal je wel uit het volgende hooren, Toen Witte Vleermuis de macht over z'n paard had
[verloren.
Willem, voor geen kleintje vervaard, Greep dadelijk de teugels van het wilde paard. Dat was de redding van Witte Vleermuis. Want heusch, met die knol was het lang niet pluis! Maar omdat Willem zoo flink was en kordaat Viel Witte Vleermuis gelukkig niet op de straat. Dat deed nou onze Willem, en voor ik verder ga met
[dit gedicht,
Wil ik, dat jelui allemaal jelui bipsen van het trapje licht En samen met mij een lied gaat zingen Op Willem, die het steigerende paard ging bedwingen.
176