toch voor een verrassing zorgen. Voor den dag er mee."
Karei stond op met een kop als een boei.
Hij haalde een dikke rol papier uit zijn buis te voorschijn en zei:
„Eh... eh... ikke... ik heb een gedicht gemaakt op de thuiskomst van Willem... enne, dat wou ik wel voorlezen."
De vrienden sloegen haast steil achterover van verbazing.
„Een gedicht?" stotterde Willem.
„Karei is waaratje een dichter," zei Edo.
En Max zei:
„Ik dacht, dat je alleen maar gedichten maakte als je verliefd bent."
Maar neef Hendrik vertrok geen spier van zijn gezicht en zei:
„Toe jongens, houd Karei nu niet langer op en maak hem ook niet zenuwachtig... Karei, voor den draad met je gedicht."
Karei rolde de rol papier een stukje af en begon:
De Trekpot is een wagen, die staat stevig op den grond, Er onder zijn vier wielen en die rollen over den grond. En met dien wagen gingen wij, Karei, Willem, Max, [Edo, neef Hendrik en Loebas, fijn op stap. We wisten toch niet beter of het werd een reuzengrap.
„Gossiepietermannetje," zei Willem, „'t is niet alleen een gedicht, maar het rijmt ook nog."
„Je bent een sufferd," zei Edo, „gedichten rijmen altijd... Een gedicht dat niet rijmt, noemen ze proza."
Maar neef Hendrik viel hen in de rede en zei:
„Laat Karei nu verder dichten," en Karei ging verder:
174