zal ik maar zeggen... en daar moeten we toch over spreken."
Karei zei:
„Een soortement avondje dus!"
„Nu ja, avondje," zei neef Hendrik, „'t kan ook op een middag gebeuren."
„Natuurlijk," zei Karei, „ik heb wel eens meer op een middag een avondje gehad."
Lachend gingen de jongens naar „De Trekpot", die achter de gewone woonwagens stond. Daar zouden ze eens precies afspreken wat er zou moeten gebeuren,
wanneer Willem uit het ziekenhuis kwam.
* *
*
De jongens zaten met neef Hendrik en Witte Vleermuis en Zwartemes bij elkander op het trapje van „De Trekpot". Loebas lag op den grond en keek met zijn verstandige hondenoogen naar zijn baas.
„Ik zou zeggen," zei neef Hendrik, „dat we het feest niet zoo geweldig groot moeten maken, ik bedoel, dat we niet de heele wereld er bij moeten halen. Zoo'n beetje gezellig onder elkander en dan niet te lang zal het beste zijn, want Willem is nog maar een zwak ventje moet je rekenen en daar kun je niet mee gaan voetballen."
„Tja, maar wat moeten we dan doen?" vroeg Karei.
Neef Hendrik zei:
„Om te beginnen halen we natuurlijk samen Willem van het ziekenhuis en als hij dan hier is, zorg ik, dat er wat extra lekkers op tafel is... voor ons clubje natuurlijk... nou en misschien kan Edo dan een liedje zingen of zoo..."
„Ik weet wat," zei Karei.
„Wat dan," vroegen de anderen.
Maar Karei keek heel geheimzinnig en zei:
172