hebben Willem in het goede spoor. De koorts is plotseling weggebleven en als er nu geen nieuwe dingen bijkomen, zul je zien hoe gauw Willem weer op de pootjes staat."
Nu, nieuwe dingen kwamen er niet bij, maar toch ging de beterschap niet zoo spoedig als de jongens en de menschen uit het circus in hun eerste blijdschap wel hadden verwacht.
Het ging maar zoetjes aan, maar toch... eiken dag was Willem weer wat beter en nu vandaag, op den twaalfden dag, vertelde hij hun:
„De prof heeft gezegd, dat ik over drie dagen uit het ziekenhuis ontslagen word."
„Hiep, hiep, hoera!" riepen de jongens, veel te hard naar den zin van de verpleegster, die ijlings kwam toegeloopen en vermanend zei:
„Zeg willen jullie als de wiedeweerga wel eens gauw jelui grooten mond een beetje dichtdoen, het is hier een ziekenhuis en geen kermis."
Wel, dat begrepen de jongens ook best, maar de blijdschap om wat Willem hun had gezegd, was werkelijk te groot geweest, dan dat zij daar zoo spoedig aan hadden kunnen denken.
Onderweg naar het circus — waar ze nog altijd waren, omdat ze natuurlijk niet verder konden trekken met „De Trekpot" — onderweg naar het circus praatten ze natuurlijk druk over het groote nieuws.
De eersten, die ze binnen de circus-omheining ontmoeten, waren Zwartemes en Witte Vleermuis.
„Willem komt overmorgen weer thuis," riepen ze van verre.
„Nietes," riep Edo er tusschen door, „niet overmorgen, maar over-overmorgen... nog drie dagen heeft de dokter gezegd," en de jongens maakten een kringetje en dansten luid zingend rondom de beide Indianen.
Edo had er natuurlijk direct een liedje op. Hij begon:
170